Batterijen
Deze opdracht illustreert deel 3 van Hier brandt de lamp! (Onderzoek – Opdracht 1)
Dit hebt u nodig
- batterijen in alle maten en gewichten; ook herlaadbare batterijen
- allerhande toestellen die met batterijen werken: radio, klok, zaklamp, horloge, gsm, afstandsbediening, een sprekende pop, spelletjes zoals Dokter Bibber, ...
- een batterijlader
- een afvalzakje of -doosje voor wegwerpbatterijen
- (eventueel) een oude wegwerpbatterij die (lichtjes!) lekt (draag handschoenen om de batterij vast te nemen)
Tip: laat de leerlingen zelf zoveel mogelijk materiaal meebrengen.
Vooraf
- verwijder de batterijen uit de toestellen; zorg er wel voor dat u weet welke batterij bij welk toestel hoort
- verdeel de klas in groepjes met elk minstens 3 batterijen
- plaats de bijbehorende toestellen op een centrale plaats
De opdrachten zelf
- Laat de leerlingen de batterijen zelf bestuderen. Ze ontdekken zo dat batterijen heel wat verschillende vormen en afmetingen kunnen hebben.
- Wijs de leerlingen op het verschil tussen batterijen met poolaanduiding en zonder poolaanduiding.
- Vraag de leerlingen de juiste batterij in het juiste toestel te steken. Wijs ze erop dat ze rekening moeten houden met de poolaanduiding. Laat ze zelf uitzoeken hoe dat moet.
- (Met zaklamp of radio – eventueel klassikaal) Laat de leerlingen de batterijen correct inbrengen (volgens de poolaanduidingen). De lamp brandt/de radio speelt. Laat de leerlingen de batterijen fout inbrengen (anders dan de poolaanduidingen). De lamp brandt niet/de radio speelt niet. De leerlingen leren zo dat de polen te maken hebben met de plaats van waaruit de stroom vertrekt en weer wegstroomt.
- (Klassikaal) Laat de leerlingen vaststellen in welk type toestel een grote batterij nodig is, in welk type een kleintje. Ze ontdekken dat de grootte van het toestel van belang is. Laat ze vervolgens kijken naar het aantal volt (het getal vóór de aanduiding V): hoe groter het getal, hoe ‘sterker’ de batterij. Conclusie: grote toestellen hebben meer energie nodig, dus een ‘sterke’ batterij.
- (Klassikaal – met herlaadbare en wegwerpbatterijen) Laat één of meer leerlingen vooraan in de klas ontdekken hoe je herlaadbare batterijen kunt onderscheiden van wegwerpbatterijen. Geef de twee soorten batterijen door in de klas en laat elke leerling naar het verschil kijken.
- (Klassikaal – met herlaadbare en wegwerpbatterijen) Vertel dat je een wegwerpbatterij weggooit als ze leeg is, de herlaadbare kun je via een batterijlader weer opladen.
- (Klassikaal – eventueel met lekkende batterij) Vertel dat de wegwerpbatterij niet bij het gewone afval mag, maar bij het klein gevaarlijk afval (kga). Dat komt omdat een batterij vol zware metalen zit, zoals kwik en cadmium. Daarom is een herlaadbare batterij beter voor het milieu.
- (Klassikaal) Geef mee dat je een wegwerpbatterij nooit in een lader mag steken, want dat ze kan ontploffen.
- (Klassikaal) Geef mee dat je een wegwerpbatterij nooit mag weggooien bij het gewone afval. Er bestaan speciale inzamelpunten voor de afvalzakjes en –doosjes.
